GELOOF EN ONGELOOF*




      Jaren geleden had ik, als jongeman een bijzonder boeiende ervaring, die ik graag zou overdoen, met de ondervinding en kennis, die ik nu heb. Dan zouden de gesprekken van toen heel anders verlopen. Ik werkte als tolk-receptionist in een klein hotelletje aan de Costa Brava in Spanje (een vakantiebaantje zonder veel verdienste). Door die funktie was ik in de gelegenheid met veel mensen van verschillende nationaliteit en achtergronden te spreken. Het mag vreemd lijken, maar heel vaak draaiden die gesprekken uit op godsdienstige onderwerpen. Een Engelsman zei, in een diskussie over een of ander theologisch probleem "We know that it is true." (Wij wéten dat 't waar is). Hij was duidelijk een katholiek van de oude stempel.



      Ik keek hem een beetje verbaasd aan. Ik herkende datgene wat mij ook was geleerd; de zekerheid des geloofs, heette dat. Dat woordje "wij" dat betekende"Wij katholieken..." Wij waren verheven omdat we zekerheid hadden. Ttoch was ik toen al zo ver dat ik mijn hoofd schudde en antwoordde: "If I knew I wouldn't have to believe it." (als ik 't wist, zou ik 't niet hoeven te geloven).



     Een gesprek met twee Denen, over het katholicisme, met name in Spanje, eindigde uiteindelijk met de opmerking van één hunner: "You Catholics are very clever debaters." (Jullie katholieken zijn erg knappe debatteurs). Op dat moment ervoer ik dat als een kompliment. Later realiseerde ik mij, dat het feitelijk het tegendeel van een kompliment was, want wat hij er in werkelijkheid mee had gezegd was, dat ik weliswaar verdraaid goed kon praten maar dat ik er niet in was geslaagd hem te overtuigen; dat we dus, in feite nog even ver uit elkaar stonden als voorheen.



     Het enige, wezenlijke sukses dat ik boekte was in een gesprek met een Duitser, die de katholieke kerk beschuldigde van intollerantie. Ik legde hem uit dat wij zelfs als kind al leerden dat "wie te goeder trouw dwaalt" ook de zaligheid zal verwerven. Wie dwaalt er niet te goeder trouw? Alle dwalingen zijn, per definitie te goeder trouw, want wie te kwader trouw dwaalt, dwaalt niet, maar pleegt een daad van opzettelijke en eigenzinnige weerbarstigheid.



     Geloof is een overtuiging die stoelt op een verwachting, een hoop, een verlangen, niet op zekerheid. Wat ik zeker weet hoef ik niet te geloven. Immers, weten en geloven zijn beslist niet synoniem. De verschillen in geloof, zijn daarmee evengoed verschillen in verlangen, verschillen in hoop, verschillen in verwachting. De wezenlijk godsdienstige mens gelooft in God, terwijl hij weet dat hij zijn overtuiging niet met bewijzen kan staven. Of, zoals Emanuel Kant het stelde: "Ik moet mijn weten ondermijnen voor mijn geloof!" en hij zou ongetwijfeld tot het atheïsme hebben besloten, als zijn streng religieuse opvoeding uit zijn kinderjaren hem daarvan niet had weerhouden. Maar de gelovige mens heeft goede reden om in God te geloven, omdat een wereld zonder God een onbestaanbare wereld is.



     Voor veel diep religieuze mensen is dat laatste al te rationeel geformuleerd; zij voelen niet slechts van nature aan dat geloof en zekerheid niet samengaan, maar wijzen zelfs elke poging tot rationele benadering van hun godsvrucht af als een vorm van godslastering, omdat God niet begrijpelijk voor ons is en wij dus ook geen poging mogen doen om Hem te begrijpen.



      De overtuigde atheïst gelooft in de zuivere rede en een opperwezen, dat in, door en uit zichzelf bestaat, dat buiten plaats en tijd en van alle eeuwigheid is, zonder iets te zijn -- want buiten het materiële heelal is er niets -- zo'n wezen, kan redelijkerwijs niet bestaan. Of, misschien duidelijker gezegd: voor de ratio, de rede, de logika is het onmogelijk aan te nemen, dat er iets bestaat dat niets is. Als God niet uitsluitend binnen het universum bestaat, is Hij niets, want buiten het universum bestaat er niets. Maar Hij kan niet uitsluitend binnen het universum zijn, want dan zou Hij tijd en plaats gebonden zijn. Hij kan niet tijd en plaats gebonden zijn, omdat hij buiten de tijd staat en dus zonder plaats is, zonder ruimte. Hij kent geen begin en geen einde en is geen materie. Dit alles zijn attributen die strijdig zijn met de logika, met de rede en dus moet ik God verwerpen, als ik niet de logika, de rede geweld wil aandoen.



      Op een amerikaans TV-station hoorde ik eens iemand zeggen: "I live by reason; that excludes religion." (Ik leef volgens de rede; dat sluit godsdienst uit.) Wat atheïsten als deze niet vatten is, dat ik evenveel recht heb om te stellen: "I live by reason; that includes religion." (Ik leef volgens de rede; dat sluit godsdienst ín.) Want als een opperwezen redelijkerwijs onmogelijk is, is ons eigen bestaan redelijkerwijs even onmogelijk zonder Eerste Oorzaak. Zonder Primum Movens (= Eerste Beweger) bestaat er geen beweging; zonder maker geen maaksel; zonder Schepper geen schepping. Hoe onmogelijk ook en hoezeer strijdig met de rede, zonder de paradox van God kunnen wij niet zijn. Ordening zien en niettemin volhouden dat er geen opperst ordenende geest aan het werk is geweest, is wijsgerig een dwaasheid.



     Wie een tuin ziet, weet dat er een tuinman aktief is geweest; wie een horloge beschouwt kan met geen mogelijkheid veronderstellen dat dit uit zichzelf is ontstaan. Of, om met de Duitse fenomenoloog Max Scheler te spreken: "Met het stellen van de werkelijkheid van de wereld moet tegelijkertijd de idee van God worden geponeerd."



     Atheïsten ontkennen dit. Wijlen professor Piet Vroon bestond het te poneren, dat gegeven voldoende tijd, een in het wilde weg tekens producerende computer uiteindelijk een roman zou kunnen voortbrengen. Het heeft mij uitermate verbaasd dat deze zich altijd zo objektieve en nuchtere voordoende man een dergelijke dwaasheid kon verkondigen. Daarmee bewees hij uitsluitend dat ook het atheïsme geen ongeloof is, maar geloof in het niet bestaan van God. De meeste atheïstische groepen kunnen, om Max Scheler er nogmaals bij te halen, " niet zonder een soort surrogaat van een persoonlijke God," die ze dan maar een naam geven als wereld-rede, het grote Al, het transcendentale ik, de zedelijke wereldorde of het oneindig logische subjekt of iets dergelijks. Zonder zo'n surrogaat van Eerste Oorzaak kunnen ook zij hun geloof niet handhaven.



     Iemand vroeg mij eens of ik het mogelijk achtte dat een atheïst getrouwd was met een theoloog. Op het eerste moment leek mij dat een zeer onwaarschijnlijke kombinatie. Achteraf echter besef ik, dat, wanneer zij beiden oprechte gelovigen zijn in hun theïsme en atheïsme, zij heel wel samen kunnen gaan. Wie diep religieus is, zal moeten toegeven, dat hij voortdurend balanceert op het smalle koord tussen het ene geloof en het andere. Beide zijn even redelijk en even onredelijk, als we ze tenminste terugbrengen tot hun diepste essentie en ontdoen van alle bijgeloof en vooral van de verregaande arrogantie die aan beide zo vaak kleeft.



     In de meeste gevallen -- en daarbij heb ik het dus vooral over de intellektuele benadering -- zal aanvaarding van één van beide tot gevolg hebben dat men zich verder afsluit voor het andere geloof, tenzij men over voldoende moed beschikt om altijd open te blijven staan voor de mogelijkheid, dat men zich vergist. Over de Franse fysicus en sterrenkundige Laplace gaat de anekdote, dat toen Keizer Napoleon tegenover hem opmerkte dat in één van zijn nieuw verschenen boeken het woord "God" niet voorkwam, hij zou hebben geantwoord: "Je n'avais pas besoin de cette hypothèse là." (= Ik had geen behoefte aan die hypothese). Dat klinkt uitermate arrogant, maar het kan ook ten doel gehad hebben een tyran af te straffen, die zoals alle tyrannen, maar al te graag God overal met de haren bij slepen om hun eigen, machtswellustige bedoelingen een aureool van religieuse bevlogenheid te geven. Ook de Duitse militairen in de Tweede Wereldoorlog hadden in de gespen van hun koppelriemen gegrift staan: "Gott mit uns". En laat ons niet verdoezelen, dat de overgrote meerderheid van Duitsland en Oostenrijk ten tijde van het nazisme uit vrome katholieken en lutheranen bestond.



     Op de BBC-radio hoorde ik eens Alfred Ayer, de bekende Britse filosoof en anti-metafisicus verslag doen van zijn bijna-dood ervaring. Ayer was van jongs af een bijzonder arrogant mannetje, wiens beroemde angry young man's boek: "Language , Truth and Logic" ik jaren geleden met stijgende ergernis heb gelzen. Zoals zovelen verhalen, was er ook in zijn bijna dood-ervaring een licht geweest, aan het eind van een donkere tunnel, maar het was geen verblijdend licht, maar een dat hem in de overtuiging had gebracht dat het universum in gevaar was, dat vreemde machten erin elkander bestreden, waarbij hij had geprobeerd kontakt te maken met die machten. Toch zei hij, op de vraag van de verslaggever, of deze ervaring in hem een verandering van levensovertuiging had teweeg gebracht, dat dit niet het geval was. "I am still an atheist." . en hij trachtte de ervaring te verklaren als een ongekontroleerde hersenwerking tijdens de laatste paar seconden van het leven. Zelfs als hij daar gelijk in heeft, blijft het vreemd dat zijn hersenen hem een angstaanjagende kosmische ervaring voortoverden.



      De grootste fout, die zowel de Christenheid maakt als bijvoorbeeld de beroemd/beruchte Vrijdenkersbeweging, is, dat men de andere mogelijkheid, het andere geloof verwerpt als minderwaardig en het daarom te vuur en te zwaard wil bestrijden. De zwaar overtrokken redelijkheid van de Vrijdenkers, waartoe we ook Alfred Ayer zouden kunnen rekenen, is niet minder een soort religieus fanatisme als dat van de Christelijke sekten en moslim fundamentalisten. Immers, zij trekken even militant ten strijde tegen de religie in het algemeen, als de christelijke en moslim sekten tegen al wat anders denkt dan zij.



     Maar ik wil nog even wat dieper ingaan op het aspekt van de geloofsovertuiging van het atheïsme. De meeste overtuigde atheïsten hangen één of andere vorm van humanisme aan. Een surrogaat voor God? Feit is, dat het humanisme èn ook de vrijdenkersbeweging er wel degelijk een soort pseudo-religieus ritueel op na houden (net als het communisme in de voormalige Sovjet Unie trouwens) met lezingen in plaats van preken en het zingen van socialistische strijdliederen in plaats van psalmen (en in de voormalige Sovjet Unie bezoeken aan het Lenin Mausoleum!).



     Het humanisme is ongetwijfeld een geloof; geloof in menselijke waarde en waardigheid. Dat is trouwens ook het kommunisme. Het heeft een toekomstverwachting, een hoop op, een verlangen naar een betere menselijke gemeenschap, waarin geen mens ondergeschikt zal zijn aan een ander, noch enige menselijke groep aan enige andere menselijke groep. De klassenloze maatschappij heet dat in het Marxistisch jargon. Vertaald in christelijke termen zou men het evengoed het "duizendjarig vredesrijk" kunnen noemen.



     Teilhard de Chardin ziet dan ook duidelijke paralellen tussen de christelijke toekomstverwachting en de Marxistische en hij denkt (of hoopt, of verwacht) dat de twee elkander ergens op hun weg naar de toekomst zullen ontmoeten om daarna samen verder te gaan. Dan zal echter het Marxisme zijn toekomstverwachting wel een geheel ander en verder liggend perspektief moeten geven. Want een klassenloze maatschappij mag dan op zich een prijzenswaardig doel zijn om naar te streven, het kan moeilijk een einddoel worden genoemd. Datzelfde kan echter ook gezegd worden van de hemel-verwachting van vele christenen, die de wereld de rug toe keren omdat zij geloven dat de menselijke toekomst uitsluitend omhoog gezocht moet worden. Noch de vertikale lijn recht omhoog, noch de horizontale lijn, recht vooruit wijst in de juiste richting van de menselijke toekomst, maar de diagonale lijn: omhoog èn vooruit, zegt Teilhard.



     Als Teilhard nog zou leven, zou hij ongetwijfeld bij de ontwikkelingen van de laatste jaren zijn vreugde niet opkunnen, en beter inzien, dan wie ook, dat de afbraak van het kommunisme nog geen omhelzing van het kapitalisme inhoudt, al doen kapitalistische machten al wat ze kunnen om de beweging hun richting in te krijgen.



      De enige, echte ongelovigen vindt men eerder in het kapitalistiche kamp dan in het Marxistische. De kapitalist pûr sang interesseert zich niet in het minst voor geloof noch voor hoop noch voor liefde. Hij is bereid alles te misbruiken om zijn eigen persoonlijke verrijking te bevorderen. Voor hem is slechts die zelfverrijking doel en al het andere middel daartoe. Het zal hem een zorg wezen of de natuurlijke hulpbronnen van de aarde uitgeput raken en het milieu vervuild, zodat de mens van de toekomst geen toekomst meer heeft. De mens van de toekomst interesseert hem noch minder dan zijn medemensen, die hij tenminste nog kan uitbuiten. (Om kommentaar te voorkomen: het feit dat het Sovjet regime een onvoorstelbare ecologische ramp heeft veroorzaakt, ligt niet aan de marxistische filosofie, maar aan de door staatskapitalisme gecreëerde burocratische moloch die alle persoonlijke verantwoordelijkheid had uitgebannen en die bitter weinig meer te maken had met marxisme.)



      God interesseeert de capitalist ook niet, maar hij is gaarne bereid zich zeer vroom voor te doen als hem dat status en gewin oplevert. Helaas zijn vele kerkelijke leiders vaak maar al te blind voor dit masker van vroomheid, vooral als ze daardoor hun financiële problemen wat kunnen verminderen. En dat, ondanks het feit, dat Paus Pius XI in zijn encycliek Quadragesimo Anno op niet mis te verstane wijze van leer is getrokken tegen het kapitalisme. Letterlijk schrijft hij: "De kerk verbiedt absoluut als hoogste norm te stellen: de aktiviteiten en de instellingen van de ekonomische wereld, hetzij het belang van het individu, of van een groep, hetzij de vrije konkurrentie."



      De zucht naar macht zou je nog een geloofkunnen noemen, zoals bij Arthur Schopenhauer en Friedrich Nietzsche, hoewel ook daarin een Macchiavellistisch cynisme (dat politieke macht onder bepaalde omstandigheden boven de ethiek en mooral stelt) bereid is de mens ondergeschikt te maken aan het doel: de macht. Als de macht het enige doel is, zoals bij het fascisme, is het geloofslechts dekmantel en is er, nog meer dan bij de kapitalist, de bereidheid alles, inclusief God, te misbruiken en alweer zien we maar al te vaak, dat kerkelijke overheden zich wel erg makkelijk laten misleiden door het masker van vroomheid, waarmee de fascist zich gaarne tooit.



     De oude kreet: Vox populi, vox Dei is wellicht de meest misbruikte dekmantel voor de zucht naar macht. Behalve dat zij eenvoudigweg een dwaze onwaarheid uitkraamt, meet degene, die haar op zichzelf toepast, zich de allure aan van de van God gezondene en daarmee is zij zelfs godslasterlijk. Als ergens de waanzin van deze kreet tot uiting komt, is het wel in het huidige islamitisch fundamentalisme!



     Overigens had deze uitspraak oorspronkelijk het tegenovergestelde doel: "Vox populi, vox Dei" werd, naar alle waarschijnlijkheid gelanceerd dor de Engelse monnik Alcuin van York in een brief aan Karel de Grote, om hem erop te wijzen dat hij meer naar het volk moest luisteren.



      Geloof in diepste wezen, zowel theïstisch als atheïstisch, is tegelijk redelijk en onredelijk. Het aanvaardt de redelijkheid van God, òf de onredelijkheid van God en beide zijn even redelijk en even onredelijk. Alleen, de konsekwenties van de ene keuze boven de andere zijn nogal verschillend. In hoeverre er echter sprake is van een weloverwogen keuze is een geheel andere vraag. Als ik heel eerlijk moet zijn, dan geef ik toe dat ik, God zij dank, katholiek ben, omdat ik uit een katholiek milieu voortkom. Hetzelfde zal in de meeste gevallen gelden voor hervormden, gereformeerden, Anglicanen, Mohammedanen, Buddhisten, Hindu's, taoïsten, shintoïsten èn.... atheïsten. Dat ik trouw blijf aan die katholieke Kerk ligt niet enkel aan de leerstellingen van die kerk en zeker niet aan de dogmatiek en institutionele vormen ervan. Het ligt aan het feit dat die kerk mijn ouderlijk huis is en daarom aanvaard ik haar, met alle feilen die haar aankleven. In die kerk kan ik het best mijn persoonlijke religiositeit beleven en dus... geloof ik in haar.



      Dat is niet redelijk, zal men zeggen. Inderdaad: het is tegelijk onredelijk èn redelijk want het is een geloof. Ik balanceer op de rand die de scheidslijn vormt tussen theïsme en atheïsme, dat wil zeggen tussen geloof in het bestaan van God en geloof in het niet-bestaan van God . Soms dreig ik over te stappen maar telkens opnieuw haal ik mijn voet weer terug omdat het geloof dat God niet kan bestaan, mijn eigen bestaan onmogelijk maakt. Maar daarmee is het atheïsme geen ongeloof en zal Einstein volmaakt oprecht zijn geweest toen hij zei: "Ik ben een diep-religieus ongelovige." Alleen, het laatste woord is misplaatst.




     Retour startpagina.