EENZAAMHEID


      "Het is vaak een kwestie van eenzaamheid..." zei je, toen we het terloops even hadden over religieuzen die het habijt -- tegenwoordig vaak figuurlijk gesproken -- aan de kapstok hangen en de kloosterpoort achter zich sluiten. Dat zou een contradictie moeten zijn: eenzaamheid in een kloostergemeenschap. Immers, je hebt, met je intrede in het klooster een leven aanvaard dat bij uitstek communaal kan worden genoemd. Je hebt afstand gedaan van persoonlijk bezit. De gelofte van armoede noemt men dat en dat is beslist een naam die de lading niet dekt, want in ruil voor je afzwering van persoonlijk bezit heb je een grote rijkdom gekregen: een leven zonder dagelijkse zorgen voor je levensonderhoud. Je wordt niet gekonfronteerd, zoals zovelen nog steeds in onze wereld, met de vraag wat je morgen zult eten, of waarmee je je zult moeten kleden, of waar je zult moeten slapen. Je orde (of congregatie) zal je nooit in de steek laten, nooit zonder je dagelijkse boterham, nooit zonder kleren, nooit zonder dak boven je hoofd en een bed om in te slapen. Vele wezenlijk armen zullen je daarom benijden.


     Vele niet-religieuze bewegingen hebben getracht dat ideaal ook na te streven. Ze mislukten allemaal of verwaterden snel, omdat de motieven te beperkt waren, of omdat er geen orderegels bestonden, waaraan men zich ook verplichtte zich te houden. Toch kan men zich, in zo'n commune als de kloostergemeenschap eenzaam voelen of gaan voelen. Dat is niet verwonderlijk. De eenzaamste mensen leven niet op afgelegen plaatsen, waar ze geen andere mensen aantreffen; in tegendeel. De grootste eenzaamheid komt voor in de grote steden, tussen miljoenen mensen die zich krieoelend om je heen bewegen maar met wie je geen enkel kontakt hebt. Eenzaamheid heeft namelijk niets te maken met alleen zijn maar juist met gebrek aan kontakt, echt, diep menselijk vriendschapskontakt met de mensen die dagelijks om je heen verkeren. De mens is zichzelf nooit genoeg. De mens is geen monade die alleen maar weerspiegeld wordt in andere monaden, om met Leibnitz te spreken. De mens is een inter-subjectief wezen zoals de fenomenologen dat noemen. Existentie is co-existentie; subjectiviteit is inter-subjectiviteit. De ander is niet slechts object, zoals Sartre meende, maar mede subject, of althans moet dat zijn. Als wij de ander wel objectiveren, of het gevoel hebben dat we als object benaderd worden, ontstaat ogenblikkelijk de kortsluiting in het kontakt. Dan is de ander inderdaad de hel, waaraan Sartre refereert en al te vaak gebeurt het dat wij juist door degenen die vlak rondom ons zijn als object worden benaderd.


      Wie bang is voor relaties, voor vriendschap, voor liefde -- en het mag gek klinken, maar er zijn er veel die dat zijn -- die bejegent ieder ander met het wantrouwen van door de ander geobjectiveerd te zullen worden. Wie in dat wantrouwen leeft, is diep eenzaam. Dat wantrouwen kunnen we ook terugbrengen tot verlangen; verlangen naar liefde, naar genegenheid, naar vriendschap en niet in staat zijn om die zelf te geven of, althans, in onvoldoende mate. Daarom loopt de vlucht, naar elders, ook meestal op een fiasco uit, want wat we in de ene situatie niet geven kunnen, kunnen we in de meeste gevallen in de andere ook niet. Men begrijpt niet, dat we liefde pas kunnen ontvangen, of, althans ervaren, als we ze zelf geven. Bijgevolg zit eenzaamheid in de eenzame mens zelf en men lost ze niet op door anderen te zoeken.


      Juist daarom kan de plaats, de grote stad, of het klooster, wel degelijk eenzaamheid in de hand werken. Vroeger was het, met name in kloosters en op kostscholen zeer veelvuldig zo, dat hechte vriendschappen verboden waren. Dat was te gevaarlijk. Het zou kunnen leiden tot seksuele relaties, vooral zogeheten tegennatuurlijke seksuele relaties. Nu kwam dat ook wel eens voor, en vandaag de dag niet minder, maar het verbieden van de vriendschap om die reden is zoiets als je verbieden de straat op te gaan omdat je daar overreden kunt worden. Dat laatste is een veel groter gevaar maar het wordt blijkbaar als minder kwalijk beschouwd, want je gaat er alleen maar door dood.


      Wie niet kan geven van zichzelf, wie niet tot vriendschap in staat is, zal altijd en overal eenzaam zijn, ook ten opzichte van God. Je kunt gekozen hebben voor een leven als religieuze, als kloosterlinge, omdat je je geroepen voelt om God zeer speciaal of liever op die zeer specifieke wijze te dienen; maar het zou ook kunnen zijn, dat je in het diepst van je hart hebt gemeend -- zonder het je wellicht bewust te zijn geweest -- dat je, door je toewijding aan God, meer van God zult ontvangen. Ik vrees dat hem daar soms de schoen wringt. De eenzame wil meer ontvangen, zonder zelf goed in staat te zijn tot geven en ik herhaal het: het geven, de gave van zichzelf moet het uitgangspunt zijn, desnoods in de wetenschap dat men er niets voor terug zal ontvangen. En, een ander punt dat ik zal blijven herhalen: de gave van onszelf is alleen mogelijk als we iets te geven hebben, als we zelf iets zijnt. En we mogen vooral nooit schuwen onszelf te geven, uit angst voor verkeerde konsekwenties.


      Eenzaamheid lossen we niet op door op de vlucht te slaan voor de omstandigheden of de plaats waarin we eenzaam zijn. Onze eenzaamheid nemen we op de vlucht mee. Wel kunnen omstandigheden aanleiding geven om mensen eenzaam te maken. Waar vriendschap verboden wordt, of met angst benaderd, wordt eenzaamheid in de hand gewerkt, want je weerhoudt mensen ervan te geven van zichzelf. Wie angst heeft voor verkeerde konsekwenties van vriendschap en liefde, benadert vriendschap en liefde onzuiver en onoprecht.


     Ik las eens een bericht over een non die het klooster had verlaten en een promiscu sexueel leven ging leiden. Dat bewijst alleen maar dat zij noch in het klooster, noch daarbuiten tot echte, inter-menselijke relaties in staat was. Het ligt in dezelfde lijn als proberen je problemen te vergeten met behulp van grote hoeveelheden alcohol. Het lost niets op; het maakt alles alleen maar erger.


     Het klinkt misschien vreemd, maar anderen kiezen de weg van het bidden. Ze pakken niet het probleem aan, maar gaan bidden, ononderbroken bidden, want die God, daar boven, die moet dan maar de uitkomst brengen door aan een of ander touwtje te trekken waardoor het probleem verdwijnt. Dat gebeurt natuurlijk niet en dan deugt die God niet. Ondanks dat wij geloven dat God oneindige liefde is, moeten we heel goed beseffen dat niemand kan verwachten te ontvangen, als hij zelf niet bereid is tot geven. Gods liefde is er wel, even goed als de liefde van andere mensen om ons heen, maar als wij zelf de stroom vanuit ons eigen hart afsluiten, kan er ook niets in.


         Roep niet om God, de bron is zelf in U.
        Sluit gij de weg niet toe, dan vloeit hij, hier en nu.

zegt Angelius Silesius.


      Zo is het ook met de eenzaamheid: zij zit in onszelf en we kunnen haar alleen opheffen door ons hart open te stellen voor anderen, voor God in de eerste plaats, maar daaraan gelijk, voor onze naaste. En nogmaals: we mogen één ding nooit vergeten: ieder van ons heeft vriendschap en liefde nodig, maar we kunnen ze alleen ontvangen door ze te geven...


      Het begrip vriendschap heeft overigens in onze dagen een vreselijke devaluatie ondergaan. Je kunt als oprecht mens nauwelijks nog zeggen dat die, of die, je vriend of je vriendin is. Het woord vriend en vriendin zijn zo'n beetje synoniem geworden aan concubinaris en concubine (wat dan tegenwoordig met een fraai euphemisme "partner" wordt genoemd) - en in het geval van homoseksuelen en lesbiennes voor hun seksuele partners. Dat is een trieste zaak. Het betekent eenvoudig dat de intermenselijke liefdesrelaties worden gedegradeerd tot lichamelijke relaties. Ik zal de laatste zzijn om te beweren dat lichamelijke relaties slecht zijn. In tegendeel. Ook de tederheidsrelatie tussen vrienden en vriendinnen zijn lichamelijk van aard en een groot goed maar blijven verre van een seksuele relatie. Een seksuele relatie is per definitie geen vriendschapsrelatie.


      Ik las eens het prachtige verhaal van de twee Chassidim, (d.i. een Oost-Europese Joodse sekte) die zich in hun dorpskroeg een stuk in de kraag stonden te drinken. Plotseling zei de ene man met dikke ton tegen zijn buurman: "Heb je mij lief?". De buurman, eveneens al stevig in de olie antwoordde: "Ja, ik heb je lief." "Je liegt." zei de eerste Chassid. "want als je me lief had, zou je weten wat me scheelt."


      Een vriend, een echte vriend of vriendin, die weet wat je scheelt, die weet wat er mis met je is en weet je daarin te steunen. Een echte vriend of vriendin verplicht je tot niets, eist niets van je, vraagt niets van je. Een echte vriend of vriendin is er gewoon voor je, om je aan te horen, om je vertrouwen te schenken, om je te troosten en je te helpen als je zijn of haar hulp nodig hebt. Een echte vriend of vriendin is geïnteresseerd in jouw wel en wee, in je geluk en in je verdriet; in je sterke kanten en in je zwakheden. Het is fijn toeven bij een vriend of vriendin; je voelt je bij hem of haar op je gemak. Je weet dat je vrijuit kunt praten zonder het risico te lopen dat straks anderen weten wat je allemaal hebt gezegd. Vandaar ook, dat er niets ergers is dan door een vriend of vriendin bedrogen te worden.


      Vrienden eisen niets van elkaar, dwingen elkander tot niets, verplichten elkander tot niets; zij zoeken noch bescherming, noch veiligheid bij elkaar; ze geven slechts elkaar hun hart, hun geest, hun vertrouwen, hun troost, hun steun, hun hulp terwijl ze eigenlijk niet beseffen waarom ze dat doen. Nogmaals: als we liefde willen ontvangen, zullen we ze moeten geven en als we onze liefde geven, zullen we nooit eenzaam zijn.



     Retour startpagina.